Dichtbundel INTERIMLIEFDE

Uitgelicht

Zopas is het debuut verschenen van de dichter achter dit poëzieweblog. Via Unibook kan de dichtbundel Interimliefde aangekocht worden. 

De gedichten in Interimliefde gaan vaak over liefde, vriendschap, eenzaamheid en hypocrisie. ‘Schrijven is voor mij een onophoudelijke oefening in het overleven van het leven. Ik prijs me gelukkig mezelf te kunnen troosten met pen en papier. Door een speling van het lot ben ik uitgerust met honderd antennes die omzeggens alles registreren. Mijn hoogsensitiviteit maakt van mij een genadeloze observator. Ik ben een spons. Sponzen kunnen veel opnemen, maar moeten op tijd en stond worden uitgewrongen. Het water in de emmer is mijn poëzie.’ Onder het alter ego MELANCHOLIA schrijft de dichter op het gelijknamige weblog (http://melancholia.typepad.com) rigoureus zijn waarheid neer. ~~ “zweet me, vergeet me, fluister me, ontluister me; verdwijn met mate, onvermist en onbeneveld; pieker me, raak mijn koude kleren in bezwete lakens; kietel mijn voeten gek in een zee van pek en ganzeveer” – fragment uit ‘Imperatief’

Gedichtendag 2012

Ze knepen mekaars puistjes uit
tussen twee onhandige wijsvingers,
pal op de grens tussen rood en wit

Nog geen schouderblad voor de mond,
evenmin een gebetonneerde rug of
spataderschetsen op plompe kuiten

Tot de huiden gingen lijden en geleiden
een lawine van massagegel in een
uitgesleten bilbedding, een vloedgolf

van vliedende tranen die
de mededader alle hoeken
van de oogkast liet zien

Gestrand

Gehavend dobbert
het vlot de baai binnen
na de laatste reis

De wind is muisstilgevallen,
de geknakte mast staat
te trillen op één been

Het reisverhaal leest
als achterflap op achterflap,
elk omgeslagen blad wijzer:

De kartonblinden dreven
in onzinkbare dozen
op een kalme zee

Eerst waren de golven
welwillend, dan gingen ze 
hikken, groeiden zienderogen

Het tussenschot werd
bruine pap, het zwalpen
ging een zware tol eisen

De koosnaampjes kozen
het ruime sop, mondjes 
dicht voor het gifschuim

En toen steeg het water 
naar het hoofd, onding,
genaamd monding 

Onthechting

Ze duwt de tube leeg
terwijl ik me uitspreid
op een bed van piepschuim

Ik staar me blind op
ranke pezen
getrimde kuiten
gelaserd wild vlees

Pagegaai de formule
‘oppervlakte van een gelijkbenige driehoek’
die haar inkomhal markeert

Broos en viscoos
ontdekt ze me, glibbert op de tast
naar het wachtbekken

Na de ouverture weerklinkt
fluisteropera, solo van de spinto sopraan:

‘al zijn we voor elkaar geboren,
ik kan de krassen op je ziel
niet blijven dichten, alleen
onthechting zal ons redden’

Sillycoon

Alles in en aan jou is bevrozen,
je tepels geven nooit meer thuis.

De rode rivier is zuurstofdood, niet
meer dan een bloedbad op sterk water.

Ik mitrailleer schatjes
en liefjes uit de losse pols

Alles ketst af op je
kogelvrije borstwering.

Breivik

In de loop der jaren is hij zich
gaan specialiseren in het
neerschieten van kerkuilen,
op zaterdagavond, tussen
half zeven en half acht, het uur
waarop de kunst van het doden
van de tijd niet thuis geeft.

Gisteren heeft hij zijn jachtgebied
verlegd, hij richt de tweeloop nu
op nachtelijke wagens met
gedoofde lichten en een chassis
dat schuddebuikt van pompende
en zuigende heupen uit de kom.

Morgen zal het miskende kind in hem
herademen en de kunst van het schijn-
gevecht perfectioneren: soldaatje
spelen op een onbewoond eiland.