Verdwaald onder de mensen (een poëtische cyclus, slot)

Halfweg de nacht
doet de vierpotige brug het licht uit.

Duitse wagens met brede konten
huilen zich schor op geslepen massieven.

In de koffer hoest een vogel.
Ik krijg kop noch staart
aan een doofstomme cassette.

De naald die het vinyl kietelt
blijft hardnekkig hangen.

Achter donkere reuzen
bezetten vrouwenvoeten
de evenaar van het bed.

De middenberm
is de pechstrook
van de dichter.

Verdwaald onder de mensen (een poëtische cyclus, deel 2)

Plastic eenden dobberen
rond de kerktoren
voor een kermiskoers
zonder winnaar.
In mijn wildste dromen
losseflodder ik er op los.
De man met de pet
trekt zijn paraplu open
Voor de houterige kogelregen.

Achter het stuur
van de botsauto
zit een knaagdier
met een foute bril.
Een volslank trio
kakelt de zondagmiddag dicht.
Het kletst uit vette nekken,
bijt de laatste pilaren weg,
giechelt op beslagen leeftijd
in de Bermudadriehoek.

In die tijd hadden de klokken
zich nog niet vastgebengeld,
toen hingen wij,
schouder aan schouder,
over de ouderlijke vensterbank,
veilig verdoofd door de
dogma’s van rust en roest.

Verdwaald onder de mensen (een poëtische cyclus, deel 1)

De kraan straalt volmondig
en tikt het heden uit.
In een dode hoek staat de
bezonken emmer als een huis.

De wetten van de fysica
zijn vol van genade.
Alles sleept zich verder
zonder herinnering.

Jouw verkalkte teennagels
schrapen de lankmoedigheid van mijn hersenen.
We komen onszelf tegen zonder afspraak,
schudden de onverplichte ontmoeting de hand.

Op de rand van de pieptafel
koelt kreeftensoep haar woede.
De geur van doorweekte oksels
en collegekots is nooit ver weg.

Een paar ogen ademt puinigheid.
Aan de rand van de oprit zwaait
een duim een nieuw leven in.

De geur van verbrand rubber
gijzelt de ijle longen.
Het geweten ligt gekneveld
onder een uitgerookte stolp.

De vlucht draagt niet ver genoeg
voor een voltooid verleden,
zuigt de zuurstof weg,
brandmerkt de gedachte
aan het zwarte gat
van de kruipkelder,
twee knie hoog.

Iedereen is het overstromend
vergeetputje vergeten.

Tweepolig

Als ze slaapt lopen de meridianen
van kruin naar kin in grote bogen
om haar zwartkijkers heen

De slaap is geen repose, in het beste geval
lopen puppy-ogen braafjes in het gareel
en vallen ongetrainde mondhoeken in, zoals
decemberduisternis in de put van de winter

In het hoofd zitten
leven en dood gebeiteld
op een wip met ongelijke hefbomen

Vandaag geeft het soortelijk gewicht van het
hart de doorslag, maar de dood is een
volbloed valse trage met duivels geduld

De vrouw wikt en weegt zich de ijsdagen door,
terwijl ze ’s nachts op de tast
door het smeltwater slooft.

Alle vrouwen worden bipolair geboren.
Tot hun koninkrijk behoort
het monopolie van de polen.

Politesse oblige

Je reinste vestzak broekzak:
het hoofd produceert piekeringen
en de handen schrijven het af,
zonder spieken.

Verraad in het tomaatreservaat
Warm water houdt de schijn op
‘Niet veel soeps’,
proest de pompoen.

Lange tenen persen
de druiven der gramschap
Voeten vegen voor de afsprong
is een elementaire vorm van beleefdheid.